Slide06

Blog

Onthulling infobord Sneppenscheut (Ashorst)

Onthulling infobord Sneppenscheut (Ashorst)

Doden herdenken, herinneringen levend houden

Drie-en-een-half duizend jaar geleden (dat zijn 875 generaties terug). In de periode die wij nu de Bronstijd noemen, stond er op deze plek ook een gezelschap van mensen. Familieleden, jong en oud, vrienden en bekenden namen afscheid van een gestorven naaste. Het dode lichaam werd met de nodige ceremoniële handelingen en rituelen hier begraven. Het graf werd gemarkeerd met een heuvel van grond en heideplaggen met daaromheen een greppel en later met een cirkel van dubbele palen, een grafheuvel met een doorsnede van 12,5 meter.

Het feit dat hier iemand werd begraven bewijst dat er in de buurt ook een levende gemeenschap was. De levende gemeenschap maakte aanspraak op dit gebied waar ze woonden en werkten, en waar hun huizen stonden met akkers en weidegronden. De aanwezigheid van een grafheuvel maakte voor iedereen meteen duidelijk dat het gebied al generaties lang familiebezit was. Duidelijke taal, in een tijd dat er nog niet werd geschreven en geen notariële akten werden opgesteld; wat wij noemen de ‘prehistorie’.

De grafheuvel was dé plek om stil te staan bij de dierbare overledene, de familieband te versterken en de geschiedenis door te vertellen. Ongetwijfeld werden hier met regelmaat (jaarlijks?) de doden herdacht en herinneringen levend gehouden.

Het gebied was vervolgens bijna 700 jaar niet of nauwelijks bewoond, maar in de vroege ijzertijd, ongeveer 700 jaar voor Chr. was er hier opnieuw bewoning. Niet alleen hier op de Sneppenscheut, maar ook op de Kroon, bij Tex Deco, aan de Hoofdstraat (Janssen en Fritsen), Hazenwinkel, en op meer plekken in Mierlo-Hout, zoals blijkt uit opgravingen.

In het landschap waren nog enkele grafheuvels uit de Bronstijd herkenbaar en de nieuwe bewoners maakten daarvan gebruik om het gebied te claimen. De eigen overledenen werden hier op een brandstapel gecremeerd en in urnen begraven onder een grafheuvel. Op Sneppenscheut zijn 165 grafmonumenten uit de Vroege- en Midden-IJzertijd aangetroffen, als kringgreppels en paalkransen en natuurlijk in de vorm van menselijke crematieresten, begraven in een urn of (gewoonlijk) los in de bodem. De dodenakker was in gebruik tussen 725 en 400 voor Chr. Daarna was het gebied weer enkele eeuwen verlaten. De dodenakker met grafheuvels bleef echter herkenbaar. De grafheuvels markeerden het landschap van de doden.

Rond het begin van onze jaartelling was er opnieuw bewoning in het gebied, tussen 100 vóór en 250 ná Chr. de Romeinse tijd (ca 500 generaties terug). Uit bewoningssporen weten we dat er rondom het grafveld bewoning was in de Romeinse tijd, bijvoorbeeld bij het tuincentrum van Du Pré, maar ook bij de kruising Krollaan-Mierlose weg en bij Liverdonk. De grafheuvels uit de Bronstijd en Vroege- en Mdden-IJzertijd waren nog herkenbaar. Het grafveld werd gerespecteerd en opnieuw werden gecremeerde overledenen bijgezet in grafmonumenten, bestaande uit een variatie aan ronde en vierkante grafgreppels, grafheuvels, dodenhuisjes, paalkransen.

Opmerkelijk is een groot monumentaal rechthoekig terrein, van 85 bij 21 meter, met een twee meter brede gracht en aan de binnenzijde een aarden wal als omheining. Dergelijke terreinen zijn in België en Frankrijk vaker aangetroffen bij grafvelden en worden beschouwd als cultusplaats. Soms zijn er duidelijke aanwijzingen voor wapendeposities en mensenoffers. Was ook hier in de Late IJzertijd en Romeinse tijd een openluchttempel of heiligdom?

Het grafveld was eeuwenlang de plek om stil te staan bij de dierbare overledenen en waar familiebanden versterkt werden en de geschiedenis doorverteld werd. Ongetwijfeld werden hier regelmatig de doden herdacht en herinneringen levend gehouden: hier is verdriet gedeeld en vreugde gevierd.

Bij het bouwrijp maken van de wijk Ashorst werden door Mierlo-Houtenaar Henk Goossens en Helmonder René Willems, beide lid van de Historische en Archeologische Vereniging Helmont, in de bodem sporen ontdekt van kringgreppels en prehistorische gebouwen. Stadsarcheoloog Nico Arts organiseerde direct een opgraving. De projectleider, archeologiestudent Adrie Tol van de Universiteit van Amsterdam, maakte over dit grafveld zijn doctoraalscriptie. Ook na meer dan twintig jaar is er nog steeds aandacht voor de dodenakker van Mierlo-Hout. De Universiteit van Leiden heeft in 2011 opnieuw een vergelijkend onderzoek gedaan naar dit grafveld, samen met een Romeins urnenveld uit Oss en uit Geleen. Dit project is uitgevoerd met steun van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Het ontsluiten en toegankelijk maken van de kennis uit opgravingen, de geschiedenis te delen met de inwoners en bezoekers van de stad, en door te geven naar een volgende generatie is belangrijk doel. Het geeft identiteit en maakt betrokken. Het initiatief van de Wijkraad Mierlo-Hout past prima in deze doelstelling. Herinneringen aan een heidens verleden op dit heiligdom blijven zo voortleven.

Met de opgravingen die in Mierlo-Hout en Brandevoort zijn uitgevoerd is de geschiedenis verrijkt met een tot dan toe onbekend verleden van mensen uit een prehistorisch tijdperk, uit een tijd dat er geen geschriften of andere documenten bewaard zijn gebleven. Deze ‘anonieme analfabeten’ (dat was vrijwel iedereen in de prehistorie, en zegt niets over de Mierlo-Houtenaars), zijn met het archeologisch onderzoek opnieuw bekend geworden.

Theo de Jong, gemeentelijk archeoloog Helmond, 27 september 2014

Ashorst JPG 19-08-2014 LR

Foto: Cofoto